De reis van de Zeezot de reis naar verre bestemmingen

26 juli 2012

201204 Australië

Filed under: 201204 australie van 28-2 tot 25-3 2012 — Joop @ 4:15 pm

 28-2 tot 25-3-2012  bijgewerkt tot 26 juli 2012

 

Terug in Australië.

Na een goede vlucht worden we opgehaald door Miep en John en hebben een filevrije terugweg. Het heeft wel weer wat om terug te komen op bekende grond.

We gaan  lunchen met de familie cq vriendenclub van Miep en John. We krijgen een senior maaltijd. Boven de zestig heb je hier een seniorkaart en daarmee krijg je allerhande korting. Of zoals in dit restaurant speciale prijzen voor iets kleinere maaltijden. Als bonus krijg je dan een voucher om in het bijbehorende casino met de ‘pokies’ te spelen. Een komisch gezicht al die bejaarde mensen met een serieuze toet achter die geldmachines. John en Joop zien het niet zitten en nemen een bakje koffie. Ik win niks en Miep een tientje. Overigens staan die dingen hier in bijna iedere club, kroeg of sociëteit. We maken de auto schoon en dan begint het te regenen en dat blijft zo tot  we vertrekken, helaas. Enfin we verdelen de tijd tussen de auto inrichten, boodschappen doen voor de volgende trip en wat andere klusjes. Ik ga nog een middagje lekker winkelen met Miep en verwen mezelf met een paar nieuwe kledingstukken. Ben uiteindelijk in Nieuw Zeeland toch nog 4 kilo afgevallen.

 

 

 

We had a BBQ with Joop and Albertines friends in Melbourne and set off looking for sunshine and found it as we travelled west to Ballarat. The living museum here has been well done with active displays of what life was like in the gold rush days. Albertine and I enjoyed looking for gold by panning in the creek that conveniently is freshly sprinkled with gold flakes each day, so success was just about guaranteed if you had bit of patience. I think we earned about $4 an hour. The workshops and shops were in period style. After looking at some huge gold nuggets in a very secure museum display we hit the road to find a camp.

 

The Grampion Mountains were next on our Victorian tour and had plenty of 4X4 tracks and bush camp sites that were not busy. The aboriginal rock art was just OK but the walks and views of rugged rocky mountains and waterfalls were spectacular. Plenty of wildlife shared our camps which was fun until the kookaburra dive bombed our sandwich as we put it our mouth. He may laugh but we did not.

On our way to the Little Dessert national park in North West Victoria we had a look at the Arapiles mountain famous for rock climbing and there were plenty of enthusiasts scaling these impressive cliffs that rise out of the plains. The dessert park was not a real dessert as low scrub covered the sand but the tracks were sandy and soft as were crossed small dunes. We camped by a billabong, had a nice fire with no-one else in the camp area.

Dry harsh country here.

 

Enough Victoria, we were off to South Australia and by evening we were camped in the Little Dip Conservation park just behind the sand dunes on the SA coast south of Robe. We drove in and out of the rocky headlands, on to soft beaches and on to Robe. The crayfish industry is alive and well in Robe. This little prosperous town had a new marina and lots of new homes mixed with the old stone shops and cottages.

A 100 mile long lagoon stretches N from here behind the dunes all the way to the mouth of the Murray river. The lower stretches are dry salt pans but further up the area is where pelicans breed. There is access to the beach so we drove along some sections which varies immensely, smooth fast going at first but by the time we got near lake Alexandria and the Murray mouth we were bouncing over humps and driving up high on the beach in soft sand.

Camping behind the dunes was good and Don tried to fish but it was windy and there was up to 10 sets of breakers. Not even the locals who had clever sinkers with hooks to keep the gear out, caught much. They were after big jew fish and shark!

Goolwa was interesting historical town with paddle boats for the tourists.

We stayed on a caravan park on our last night with Joop and Albertine who were heading west a bit more then North towards Alice.

 

Dit was Agnes haar mailverhaal over onze trip samen.

 

Wij zijn  inmiddels terug in Nederland en wonen weer tijdelijk op de boot in de haven van Terschelling.

Ook deze trip kwam het er niet van om rustig te gaan zitten en het verhaal van onze trip ‘onderweg’ te schrijven.

 

Nadat Don en Agnes richting Noosa zijn vertrokken, gaan wij met behulp van onze Miep(gps) verder naar het westen via binnenwegen. Na een mooie tocht richting Cape Jervis vinden we een prachtige kampeerplek aan de oceaan.  We zijn vroeg en hebben dus alle tijd om er uitgebreid van te genieten.

De dag daarop gaan we via het heuvellandschap van Fleurieu Peninsula naar Adelaide. We staan midden tussen de backpackers en dat levert wat onrustige nachten op. We gaan de stad verkennen met de bus. Het is een mooi stad. Grote pleinen, gezellige arcades en een mooie winkelstraat. De als bijzonder aangekondigde markthallen vielen ons wat tegen. Het plenst van de regen en als troost tracteren we ons zelf op een etentje. De tweede dag zijn we naar het South Australian museum geweest, waar ze een mooie collectie over de cultuur van de oorspronkelijke bewoners van Australië en Borneo hebben. Daarna gaan we naar Port Adelaide. Het had er zo mooi kunnen zijn. Oude gebouwen en een havenfront. Helaas is er veel leegstand in de winkel en hotel panden en is de ziel uit het geheel. Later zien we dat er een mall vlakbij is gebouwd en daar hangt men nu rond. Jammer. We besluiten ons bezoek met vergelijkend waren onderzoek bij garages. We maken een afspraak voor de volgende dag om de auto een grote beurt te laten geven voor we straks de out-back in gaan. Die avond koken we voor een paar Duitse meiden, we hadden voedsel te over, en hebben een gezellig avond met elkaar. Ook wij hangen een paar uur rond in het winkelcentrum van Port Adelaide om te wachten tot de auto klaar is. Er moet weer wat extra’s aan gebeuren en dus meer betaald. Nu gaan we opzoek naar een bedrijf dat steenslaggaatjes in de voorruit kan repareren. We zien veel van de industriële omgeving maar vinden geen gaatjesmaker. We reizen verder in de hoop dat we onderweg of in een van de grotere plaatsen verderop geluk hebben. Ik vraag bij een grote schoolbus garage of zij ons verder kunnen helpen en ja hoor een eindje verderop zit in de ‘middle of no where’ een gecertificeerd bedrijf. Enfin een uurtje, koffie en $120 later is de boel gemaakt en kunnen we verder.

We vinden na gisteren naast een sportveld te hebben gestaan, een camping bij Wilmington. In de bush met een aardige campinghouder, gebruik van keuken en de volgende dag ook internet. Wat een luxe, want met internet blijft het hier vaak een duur gedoe. Ook de douches zijn prima, zij het dat ze bevolkt zijn met een soort duizendpotige rupsjes die alleen te voorschijn komen als het vochtig is. Ook op en bij de tent zitten ze overal. Gelukkig is ons ‘tentpenthouse’ wurmpjes vrij.

Op naar Flinders Range National Park, zo’n 150 km naar het noorden. Dit park ligt op de rand van de out-back en de foto’s die we er van gezien hebben maken dat we ons er op verheugen. Volgens de campinghouder hebben we geluk en is het park sinds vandaag weer open. De regen van de afgelopen tijd had de wegen tot dan toe onbegaanbaar gemaakt. Helaas verteld de ranger ons dat het park weliswaar open is, maar dat een groot deel twee dagen gesloten wordt in verband met de jacht op vossen en geiten. Dus rijden we meteen door dat deel. Het is er prachtig met mooie campingplekken , maar helaas het blijft bij kijken. We rijden een mooie tocht door en langs een rivierbedding en zien de yellowfoot walibi, die hier te vinden is, maar elders zeldzaam voorkomt. Dan vinden we een plek op een open blijvende camping aan de rand van het gebied.

Hier komen we in gesprek meteen Duits echtpaar. We krijgen een tip om een nationalparkpass van South Australia te kopen. Dat scheelt entree- en camping fees. Die nacht begint het hard te waaien en worden we de tent bijna uit geblazen. De volgende dagen is het weer rustig en verkennen we de omgeving. We rijden een stuk naar het Noorden , kijken op uitzichtpunten en wandelen het hart van de Flinders in. Dit is privé gebied en was daarom gelukkig maar één dag gesloten. Dan keren we weer terug naar ons camping in Wilmington. Voor we Eyre Peninsula gaan verkennen, maken we een prachtige wandeling door de Alligator Gorge. We vinden na een boeiende rit een gratis camping aan de kust bij Pt. Gibbon, waar we gelukkig in de beschutting van een paar bomen kunnen staan, want de wind is weer eens aangewakkerd. Daarna verkennen we Port Lincon. De stad en het  natuurpark. We vinden een prachtige plek boven op de rotsen aan de lijzijde. De dag daarop trekken we een klein stukje dieper het park in, zetten ons kampje vroeg op vlakbij de oceaan en hebben een heerlijke hangdag. We rijden verder naar de andere kant van het schiereiland van dit park, Hier stond ooit een walvisstation. We verbazen ons hier over de fikse deining die hier in de inhammen loopt. Het is een pracht gezicht. Hoe hier de walvisvaarders, die hier een station hadden, ooit veilig binnenkwamen, is ons een raadsel. We trekken verder en komen bij de volgende landtong waar ook weer een national park, Coffin Bay, is. Hier kan je een dag door mul zand, duinen en strand naar de punt rijden. We overwegen het even, maar de compressor die we bij ons hebben is niet in staat om onze banden weer op goede spanning te brengen en de dichtstbijzijnde pomp is een eindje weg. We doen  het niet en gaan via een asfaltweg naar de andere kant. Bij het ontbijt komt de camping kangaroe op 2 meter afstand kijken of er wat te halen valt. We rijden vroeg ,voor dat er andere auto’s op de weg zijn, weer verder en zien daardoor vlakbij kangaroes en emoes drinken uit een waterplas. Of emoes boven op een heuvel tegen het ochtend licht. We genieten van de diversiteit van de kust. Rotsen in allerlei kleuren en vormen en strand. Soms moet je om bij het strand te komen een trap af van 270 treden. Dan gaan we naar het noordwesten de kust langs. We eten in een plaatsje van niets een heerlijk portie friet bij onze double shot cappuccino. Het is weer eens een lang weekend hier en het zoeken van een camping plekje neemt meer tijd dan normaal. Uiteindelijk staan we in  Port Kenny, bij een verlopen roadhouse op een soort camping. Enfin er is weer eens een douche en een wasmachine, dat wordt soppen en boenen.

Alweer leidt onze gps ons via de kortste route naar ons volgende doel. Ook deze keer rijden we over dirt roads en dwars door de uitgestrekte velden. Eindeloze tarwe velden hier. Overal zie je grote en kleine graan silo’s.

Deze reis door Australië gaat vaak over de uitgestrektheid van eindeloze wegen, van lange lanen, van vergezichten, van rood zand, van steppeachtig gebieden, van grote bossen, van heuvels en bergen en over uren en uren rijden. Men spreekt hier zelden over hoeveel kilometer iets is, maar over het is zoveel uur. Een uur rijden is om de hoek. We rijden dus een uurtje om over een wasbord weg om een kolonie zeeleeuwen te zien. De zeeleeuwen liggen wel erg ver in de diepte , maar het uitzicht vind ik adembenemend. Terrakleurige rotsen in een turkooizen zee met links en rechts woeste rotsformaties. In Streaky Bay een gezellig toeristische badplaats genieten we op een terrasje van een drankje. Het kan nog net, de lunchtijd is voorbij en dan is de pret hier over, want het is zondag. Ook de auto konden we nog net voor sluitingstijd vol tanken.

We hebben de gewoonte aangenomen om zodra de tank leger dan de helft is en er een pomp is,  we gaan bijvullen. De pompen liggen hier veel verder uit elkaar dan bij ons.  En ook al hebben we ver achter in de bak een reserve tank staan,  we wagen het er liever niet op. We komen langs de “hooibergen”. Dit zijn zandsteen rotsen die er zo uit zien. Die nacht staan we naast Pildappa rock. Een grote rode rots. Ook deze staat weer los in zijn omgeving. We klauteren er op en hebben een prachtig uitzicht over de omgeving. De pret wordt een beetje gedrukt door de vele dazen, maar in de avond trekken die zich terug. We hebben een gezellige avond met een man van Nederlandse afkomst en zijn Engelse vrouw. Zij zijn in de zeventig en trekken rond in een vouwwagen die als je hem openklapt een driehoekige caravanachtig bouwsel wordt met keukentje en ruim bed. Ik vind het een top oplossing. Hier staan we gratis met toilet, water en als we willen een elektrische barbecue. Dit soort barbecues staan hier vaker. Het is een favoriete maaltijd hier en als er een ‘fire ban’ is zoals nu, dan kan men toch op dit soort ‘day areas’, campings en parken zijn gang gaan. We willen Gawlers Range national park bezoeken.  Er is een prachtige rotspartij de ‘organpipes’ genaamd. Bovendien hopen we via een ‘dirt road’ omhoog te rijden naar Coober Pedy. We vragen eerst informatie bij het toeristenbureau in Wudinna. De wegen naar het park zijn goed , maar naar boven wordt ons af geraden te veel corragation. ‘”You have to go to the dentist afterwards” Daar is in elk geval Joop vaak genoeg geweest, dus dat wordt ‘m niet. Nu moeten we minstens 300! km omrijden. Het park bezoeken we wel. De weg er heen is al wasbordachtig genoeg. Er is een 4wheeldrive route, maar als we die een stuk oprijden zijn er veel scherpe stenen en dan moet de lucht eruit. Ons uitstapje wordt beloond met een vlakbij zicht op een stel “wedge tail” adelaars. Prachtige grote vogels met een fikse spanwijdte. Ook de ‘organpipes’ zijn de moeite waard, al is de wandeling er heen verder en warmer dan we dachten. We rijden door tot de volgende camping bij een roadhouse. Daar zijn tot Joops grote vreugde allerlei oldtimers. Auto’s ,motoren en bromfietsen. Hij loopt rond, praat, geniet en ziet iemand worstelen met een vastgelopen druifstang lager. Helaas; hij mag niet helpen, dat is jammer. Het konvooi rijdt van Perth naar Sydney omdat dat honderd jaar geleden voor het eerst per auto gedaan is. Zelfs die oorspronkelijke auto is er bij. De volgende dag vertrekken ze vroeg. Onderweg halen we ze in of worden wij bij een koffiestop weer door hun in gehaald. Een leuke afwisseling. We rijden langs Iron Knob, waar men ijzer uit de grond haalt. Joop bezoekt er het plaatselijke bezoekers centrum, dat bevolkt wordt door de oude werkers van de mijn. Nadat we de onze voorraad vers voer in Port Augusta op peil hebben gebracht, gaan we de Outback in. Op naar Coober Pedy! De leegte begint eigenlijk meteen. Bij een koffiestop spreken we een vrouw die met een baby voor een specialistenbezoek even op en neer van Cooper Pedy naar Port Augusta moet. Dat is dan wel 540 km, enkele reis. Ze is er bijna. Wij staan die nacht in Pimba alweer bij een roadhouse. Hier staan meerdere campers en het is tevens een rustplaats voor de roadtrains. Imposant hoe ze daarmee kunnen manoeuvreren. Helaas barst het er ook van de ons al voorspelde vliegen. Nadat ik Joop heb overtuigd van het nut, zetten we onze partytent met vliegennet op. En zitten prinsheerlijk binnen zonder vliegen. Het positieve commentaar is dan ook niet uit de lucht. Onderweg zien we hier nog meer dan elders dode dieren langs de kant van de weg. Hele koeien zelfs. De beesten kunnen hier zo de highway op lopen. Er zijn geen hekken wel roosters  om het vee van de verschillende boerderijen, die hier ‘station’ of ‘home-sted’ heten, gescheiden te houden. Het zijn vooral de roadtrains die ‘s nachts door denderen die de dieren aanrijden. De wegen worden hier opvallend stil als het donker is. Bijna niemand rijdt zonder noodzaak in het donker of rond de schemer. De kans om dan een kangoeroe onder of tegen je auto te krijgen is dan het grootste. De bullbar die veel auto’s hebben is dus niet echt overbodig hier. Veel wagens zeker 4X4’s hebben ook een snorkel. Dat is een pijp omhoog op de luchtaanzuiging van de motor zodat ze door rivieren kunnen rijden. Want vaak gaat een weg over een dammetje in de rivier, maar als het heeft geregend, loopt de dam onder water. We komen aan in Coober Pedy. Ook hier barst het weer van de vliegen. Het is dit jaar nog erger dan anders om dat er zoveel regen is gevallen. Om de vliegen weg te jagen heb je de “Australian wave” De lichte variant daarvan is met een hand voor je hoofd langs wapperen om de vliegen weg te houden. Hier heb je twee handen nodig. Een vreemd gezicht. Vooral als je van een afstandje naar pratende mensen staat te kijken. 

Coober Pedy staat bekend als de plaats in de wereld waar je de zuiverste opalen kan vinden. Er wordt al jaren naar gezocht, hier midden in de woestijn. Om het leven aangenaam te houden hebben veel mensen voor het aircotijdperk een woning in de grond gebouwd. Het hol was er immers al door dat ze naar opaal zochten. Joop is wat teleurgesteld. Hij had verwacht dat het een hele ondergrondse stad zou zijn. Dan gaan we opalen bekijken. Winkels of eigenlijk juweliers te over. Veel Grieken en Joegoslaven hier. Ik raak wat in de war. Er is zoveel en we krijgen allerlei deals aangeboden. Wil ik wel wil ik niet. Uiteindelijk beslis ik van niet omdat ik niet echt weg van de meeste opalen ben en ben ik dat wel, dan zijn ze te duur. Bij de toeristen info kan je hier zowaar internetten en nog tamelijk snel ook. We staan die nacht ‘gratis’ op een camping bij een opaalmijn. Het is gratis omdat we betalen voor een rondleiding in die mijn. De rondleiding valt me wat tegen. Zeker wanneer we de volgende dag in het museum een voordelige, prettige en gedegen rondleiding krijgen door zowel een mijn als een ondergrondse woning. We kopen hier nog de zogenaamde Boulder opalen. Deze zijn minder transparant, daardoor goedkoper en minstens zo mooi. Ook kopen we hier een schildering gemaakt door een Aborignial dame. Dan naar de ‘Painted dessert” via een onverharde weg. We passeren het ‘dogfence’. Dit is een hek van 5400 km dwars door Australië om de dingo’s uit het zuiden te houden. Het is een lange tocht en we zijn iets voor zonsondergang bij de ‘painted dessert’ Het is er prachtig. Mooie rots formaties in allerlei kleuren. We staan die nacht bij Arckaringa station. Een boerderij ergens in die dessert. Er zijn cabins, warme douches en een barbecueplek, maar ook heel veel vliegen. We zetten ons vliegennet maar weer op en hebben een gezellig avond met de enige andere kampeerders daar. Van die mensen die er al 3 dagen staan horen we dat de beheerder van dit station tijdelijk is . Een oude baas van 75. Hij kan dit werk niet laten en wordt als vliegende keep overal in gezet als de vaste beheerders even niet kunnen. De stations zelf zijn het bezit van de aborignials of van een baas met centen, dat blijft ons wat onduidelijk. Wanneer we vertrekken vraagt hij ons of we willen bellen als we veilig op de highway zijn aangekomen. Bij het volgend road house doen we dat. De diesel wordt nu we verder de outback in gaan steeds duurder. Van 1.67 is het nu al 1.98. We raken aan de praat met Nederlanders en besluiten net als zij bij het zien van het zwembad in deze hitte, het is inmiddels 35 graden, de nacht hier door te brengen. We genieten van het zwembad, de warme douches, de wasmachines en het ontbreken van de vliegen. Over dat laatste vragen we ons af of ze hier soms tegen spuiten. Joop verricht goede werken door de koelkastaansluiting van een gezin met 4 kinderen te repareren. Het levert ons een sixpack bier op. Die avond zien we op de weg die langs de camping loopt de langste Roadtrain rijden, die we gezien hebben. Het was er een met 5! aanhangers. Dan gaan we westwaarts richting Uluru, voorheen Ayers rock. Onderweg ontdekken we dat de plaats waar we oorspronkelijk wilden staan niet meer open is en de volgende plek was pal in de zon geweest. We komen aan en organiseren meteen een plekje in de schaduw op de enige en dus dure camping hier, dan rijden we rond en bewonderen deze toch wel zeer bijzondere rots. Ook het bezoekerscentrum, dat volgens Aboriginaal inzicht is gebouwd, is mooi.  We besluiten de volgende dag naar de zonsopkomst te gaan kijken en daarna een wandeling met een ‘ranger’ te gaan maken. Op de camping raken we aan de praat met een Zwitsers stel, dat wel de rots beklommen heeft. De Aboriginals hebben het liever niet omdat het voor hun een heilige rots is. Bovendien is het een gevaarlijke klauterpartij. Maar ja als Zwitser kan je misschien bijna niet anders. Enfin we geven ze nog een aantal tips en brochures die wij niet meer nodig hebben en dat levert ons weer een paar pilsjes op. Zo komt Jan Splinter door de winter. Al hoewel winter?? Het is hier bloedje heet. Lopen kan alleen voor 10 uur later dan is het te warm. Na de zonsopgang die niet erg spectaculair was, maar waar het heel druk was op het speciaal daarvoor gebouwde podium, en de informatieve wandeling met de ‘ranger’ rijden we nog door naar de Olga’s of de Kata Tjuta, zoals ze nu heten. Ook deze zijn weer indrukwekkend, maar het is al weer te warm om te wandelen. De paden worden hier dan afgesloten. We besluiten om te lunchen met een bak ijs van 2! Liter. Helemaal op krijgen we het niet , maar we hebben wel veel bekijks en een koude maag. Heerlijk! We gaan richting de Kingscanon. Onderweg staat er een Aborignal man met auto aan de kant die om hulp lijkt te vragen. Dus stoppen we. Joop stapt uit en vraagt wat hij kan doen. Wat blijkt? Er blijkt een hele familie in de berm rond te hangen. Ze hebben geen bier meer en of Joop dat verderop bij het roadhouse voor ze wil kopen. Zij mogen dat niet. Er is namelijk een hele strenge regie vanuit de regering op de aanschaf van alcohol door de Aboriginals. Een poging om de verslaving daaraan in de hand te houden. Joop besluit om geen bier voor ze te halen.

Wanneer we iets verderop willen stoppen voor de restanten van het ijs, zetten we de auto onder een afdak. Dat gaat net, maar als we weer weg willen, wat hals over kop vanwege de vele vliegen, vergeten we naar boven te kijken. Achteruit had zonder schade wel gekund maar vooruit niet. Er zat een gemene bocht in het dak en de hoes van de rooftoptent scheurt kapot. We besluiten terplekke een reparatie uit te voeren. Daar hebben we gelukkig de spullen voor. Ik ben ongelooflijk blij dat ik een vliegennet voor over mijn hoofd heb gekocht die ochtend, want anders waren de meters die ik moet naaien nog langer geworden. Enfin we plakken de genaaide naden af en het zit weer goed. We hebben nu zoveel tijd verloren dat we nog net een camping kunnen halen als we geluk hebben. Onderweg is ook nog een gratis plek, maar dan zijn we morgen op het warmste van de dag bij die canon en dan wordt wandelen helemaal niks meer. Dus rijden we door met  fiks tegenlicht van de ondergaande zon. Vlak voor het donker wordt zijn we er, gelukkig zonder brokken of aangereden dieren. Op de duurste camping ever, zeker gezien de voorzieningen met alweer de duurste diesel ($2.33) van deze reis. We krijgen wel een mooi plekje. Op de wc’s zie je achter elke stortbak de kopjes van 2 kikkertjes. Klop je op de bak dan verdwijnen ze. Later horen we van een Nederlands stel dat, toen zij er de nacht daarvoor waren, er een giftige slang rondkroop. Tja kikkers zijn lekker.

Het Kingscanon is prachtig. Bij het zien van de steile klim naar boven en bij de gedachte dat we die straks in de hitte weer afmoeten dalen bedenken we ons en doen we de wandeling onderlangs. Later bleek dat het bovenlangs een rondwandeling was.

Dan gaan we via een dirt road richting Alice Springs. Deze weg is net weer open voor 4wheeldrive auto’s. Het blijkt dat na de regen van de afgelopen tijd, hele stukken beschadigd zijn. De weg wordt nu overhoop worden gehaald en hersteld. Dat levert zo veel bagger op dat we er maar net doorheen kunnen komen. 

Dan slaan we vlak voor Alice Springs nog even af om naar de Rainbow valley te gaan. De weg is weer een wasbord. Wanneer je daar met ongeveer 80 overheen rijdt voel je er het minste van, maar omdat wasbord afgewisseld wordt met rul zand is het mijn hobby niet zal ik maar zeggen. Gelukkig is de valley mijn bibbers waard. Ook hier is het veel te warm om te kamperen. Er is geen schaduw en dat is bij 40 graden niet fijn.

Op naar een caravanpark,” G’ Day mate”, in Alice Springs met zwembad! We vinden een goede plek. Veel ruimte, een lekker zwembad, goede wasmachines en last but not least brandschoon sanitair. Niet dat het verder vies is maar dit is gewoon toppie. Doordat we wat gedoe hebben met de internet kaart komen we in contact met de beheerder. Hij doet dit nu een paar jaar. Het hele gezin voelt zich hier happy en is bij met dit leven in vergelijk met de grote stad Sydney. De man zelf heeft de wens om net als wij ooit te gaan varen. Die uitspraak levert meteen kritiek op van zijn jongste dochter , die zegt hem niet te kunnen missen en zij houdt niet van varen, maar van ballet.

Alice Springs zelf is een provincie stad in de woestijn waar veel Aboriginals leven. We lezen in een soort museum uitgebreide informatie borden over deze bijzondere groep mensen en hun cultuur. In mijn ogen zijn ze vanaf een soort prehistorisch leven in een keer in de industriële revolutie terecht gekomen en hebben dat als groep niet kunnen hanteren. De Engelsen die er heen werden gedeporteerd hadden geen idee van het soort leven dat deze mensen leiden. Ze hadden ze om te overleven in dit klimaat wel nodig, maar verder was er niet veel begrip en eerbied. Het is een ruig land met een hard klimaat. Droogte, warmte, kou en regen wisselen elkaar af, maar het tempo waarin dat gebeurt is volstrekt onvoorspelbaar.  Later horen van Agnes dat er zelfs bomen zijn waarvan de zaden alleen bij brand open springen.  Aborignals hadden hier een manier van over-leven gevonden met handel door het hele continent. Ze hadden een ingewikkeld systeem van verbintenissen tussen mannen en vrouwen om te voorkomen dat er inteelt plaats vond. Het is een verbale en symbolische cultuur met veel rituelen en prachtige verhalen over de vormen in het landschap. De betekenis van die vormen en de wijze waarop ze zijn ontstaan. Wat mij  bevreemde dat de dansen die we op video zagen heel eenvoudig bijna kinderlijk zijn. Er is op het ogenblik binnen die gemeenschap veel aandacht voor het doorgeven van oude tradities en kennis. Ook al om het gevoel van eigenheid en eigenwaarde terug te vinden. Hier in Alice Springs barst het van de galerieën die schilderijen gemaakt door Aboriginal vrouwen verkopen. Er zitten beeldschone zeer ingewikkelde bij , maar ook amateuristisch klieder werk. Ook bij Uluru was werk te koop en zag je vrouwen aan het werk. Het werk vraagt een hoge concentratie en ging oorspronkelijk over het in beeld brengen van de rituelen en verhalen. Nu wordt het deels een zelfstandige kunstvorm met alle gezoek naar inhoud en vorm van dien.  Ik ben nog steeds erg blij met mijn kleine, rituele schilderij.

Na 2 dagen hier waarin we nog een gezellige avond hebben met een Nederlands broer en zus en weer mensen ontmoeten die we op het station in de outback ook al zagen. Deze mensen waren bij een witte vriendin langs geweest, die in een Aboriginal gemeenschap leeft. Ze kwamen terug vol verhalen over hoe ze daar in die gemeenschap leeft en hoe zij daar deel aan mochten nemen.

 

Vanaf hier gaan wij naar de oostkust via de Plenty highway. Dit is een onverharde weg, dwars door de bush van 700 km. Oorspronkelijk hadden we via de East mac donals willen reizen , maar dit kan niet vanwege de overstromingen. Nu moet we eerst een stuk via de Highway naar het Noorden en kunnen dan afslaan naar de Plenty. We vinden het leuk spannend. Je weet dat je overal waar je kan moet tanken want de pompen staan 250 km uit elkaar en je weet niet hoe het zal gaan en of ze diesel op voorraad hebben. Na het eerste stuk waarvan het midden nog geasfalteerd is komen we in een dorpje. Waar we naast brandstof ons zelf kunnen voorzien van een ijsje. Een feestje in deze warmte (38). Dan begint het echte werk. Gelukkig is de schraper net langs geweest en zijn de wasborden plat gestreken. We horen later dat ieder boer hier een eigen schraper heeft, maar dat ze die van de overheid op straffe van hoge boetes niet mogen gebruiken buiten hun eigen terrein ook al is de weg naar de buiten wereld kapot en komt de officiële schraper voorlopig niet langs. Raar want verder help iedereen hier iedereen. Als we langs de kant van de weg staan om koffie te drinken en er komt een auto langs dan stopt die meteen om te vragen of alles goed is. Bij de grens met Qeensland stoppen we om te overnachten bij “Tobermorey”, een station. Ze hebben een soort camping. Dat wil zeggen ooit goed aangelegd nu eigelijk  niet meer in gebruikt. De spoeling is gewoon te dun en bovendien mag je hier ook overal in het wild kamperen. Ik ben degene die dat niet zo ziet zitten en dus staan we nu midden tussen de paarden en mogen we een wc met kikkers gebruiken. Aan de douche wagen we ons maar niet en dat voor 20 dollar. Overigens hebben we 250 km terug getankt op ook zo’n soort station met camping en dat zag er nog slechter uit. Wanneer we de volgende ochtend vroeg vertrekken zit alles weer eens onder de vliegen, brrrr. Bij elke stop die je maakt zijn ze er even niet en dan komen ze overal met velen vandaan. Er moeten er hier miljoenen leven. Boulia valt ons wat tegen. Zeker de dame van het VVV. Ze vraagt ons eerst de hemd van het gat over mijn sieraden. Zoiets wil ze zelf ook wel maken, ze is edelsmid. Joop neemt de moeite om het  voor haar te tekenen en dan vraagt ze of we een video willen zien. Dat lijkt ons wel wat. Maar wat blijkt?? Ze heeft nu middag pauze en of we dus maar een uurtje willen wachten. Als we dan ook nog in een folder ontdekken dat het kijken 12$ pp is vertrekken we na de koffie. Ook hier bestelden we een dubbel shot. Maar de dame achter de toog ziet dat anders en kiepert er vervolgens een extra scheut melk in, anders is het veel te sterk. Tja liefde kent vele vormen.

Onderweg naar Middleton komen we door weer een prachtig berggebied. Joop parkeert de auto boven op een steile zandstenen heuvel en we hebben weer een indrukwekkend uitzicht, “Cawnpore Lookout” ,met een vliegloze stop. Middleton zelf is een verrassing. In dit plaatsje zou een hotel moeten staan waar we in de tuin kunnen kamperen. Wel nu het plaatsje is het hotel of andersom. We drinken er een biertje, genieten van het uitzicht en het lokale gedoe. Blijven doen we hier niet ,want nog een nacht in de herrie van een aldoor draaiende generator zien we niet zitten. Dus gaan we door naar Winton, waar we ook gratis achter een hotel kunnen staan. We staan weer wonderlijk op het parkeerterrein achter het hotel tezamen met 5 anders campers. Helaas zijn de douches in renovatie.

 

 

Het vervolg

Dan duiken we in de geschiedenis van de nieuwe bevolking van Australië. We gaan naar de Stockman’s hall of fame in Longreach. Zeer aanbevolen door Australiers die we in Winton tegenkwamen. Hier zie je de helden van toen en nu. Het gaat voor al over overleven in dit harde klimaat en hoe het vee op te drijven. Tegenwoordig gebeurt dat met paarden, quad’ s en helikopters, maar toen alleen met paarden. Het is wel interessant om dit te zien na onze logeerpartijen op ‘Stations’ of ‘Home steds’ . En de film “The man of Snowy River” , die we van Don te zien kregen. ‘Western’ romantiek van de bovenste plank, maar wel leerzaam evenals een televisie serie die gaat over een grote boer ergens in de Out-back.. Uitgebreide aandacht is er voor de flying doctors en de radiografie. Een klein deel gaat over de Aborignials, die vaak als gidsen werkten voor de nieuwe bewoners die van kant nog wal wisten in dit land. Het blijft triest dat de ze nu in de huidige Australische maatschappij vaak ontheemd zijn. Veel verder gaan we vandaag niet en we staan op een mooi plekje in Ilfracombe. Vreemd genoeg zijn nu op Paaszaterdag alle winkels dicht. Met Kerst is alles open en nu zitten we zonder koud bier en zelfs de kroegen zijn dicht. Gelukkig heeft de camping beheerder een paar flesjes voor ons zodat we in deze warmte toch onze dorst kunnen lessen. Ook de dag daarna gaan we niet erg ver, zo’n 200 k’s, zoals ze hier kilometers noemen. In Jericho vinden we in de bocht aan de rivier een ‘gratis’ dat wil zeggen “donatie gevraagde”  kamp plek. Het is er heerlijk. We staan vlakbij de rivier en vinden genoeg hout voor een vuurtje. Op ruime afstand staan nog wat andere campers en er is zelfs een koude douche in de open lucht dus dat wordt kuis wassen. De volgende dag besluiten we hier te blijven. Wel breken we even de boel op om een stukje te rijden en ergens een ijsje te halen. Tevreden hangen we verder een dag je bij de tent rond. Dan gaan we door naar de plek waar half edelstenen gevonden worden. De plaatsen heten hier, Rubyvale, Sapphire and Emerald. Veel toeristisch gedoe, maar we vinden toch weer een cadeautje voor het thuisfront. Gele saffieren deze keer. Vaak vind ik de manier van zetten te protserig en het enige mooie sieraad dat ik zie is onbetaalbaar. We horen een verhaal van een mijner die ondergronds op zijn grens afscheiding met een andere mijner een edelsteen ader vond en zich toen verrijkt heeft met de oogst van een ander. Nu zit ie in het gevang. Ook hier zie je dus weer allemaal hutjes her en der net als bij Coober pedy. Een stuk grond claimen, een gat in de grond maken en dan maar hopen en graven. Dan gaan we door naar een camping waar je weer gratis kan staan. Het is een stukje rijden en de plek is leuk. Alleen ook hier weer kikkers en kans op slangen in het sanitair. Brrrr.

We willen nu op de terugweg naar Noosa nog een mooie wandeling makenin een nationaal park. Blackdown table land. De klim met de auto naar boven gaat goed we zien zelfs een dingo. Maar het eerste uitzicht valt ons tegen. We raken verwent. En als dan ook nog de weg verandert in een wasbord heb ik het wel gehad en zie de volgende 30 kms tot er een wandeling is door een gorge niet zitten.  Achteraf nog een gelukje ook. Enfin we besluiten om door te rijden naar de kust en belanden op een plekje langs een drukke weg, maar om te slapen is het prima. Onderweg heb ik nog een douche genomen. Er was namelijk op eens bij de openbare toiletten een prima warme douche. Wonderlijk toch dat die hier in het openbaar schoon zijn. Dan gaan we opzoek naar bekende bootjes bij Bundaberg. Helaas we zien er vele maar geen bekende. Dan besluiten we om maar door te rijden naar Noosa om even een pauze in het reizen in te passen. Ik hoor onderweg steeds een hoog gepiep, maar als we stilstaan en alle bevestigingen controleren vinden we niks. Edoch even later wordt het geluid indringender en we stoppen in een woonwijk in Gympie.  Joop voelt aan de wiellagers, want daar lijkt het geluid nu vandaan te komen. Hij brandt zijn vingers, zo heet is het linker voorwiellager. Tja wat nu? We staan gelukkig in de schaduw op een rustige straat.

Joop gaat opzoek naar een garage in de hoop dat ze ons daar verder kunnen helpen. De garages in de buurt worden ’m niet. We moeten 2 kilometerverder zijn, ongeveer. Dat schiet niet op want we durven eigenlijk geen meter meer te rijden. Het lager is gewoon kapot. Goede raad is duur en we bellen met Don, want die heeft een wegenwachtverzekering die ook voor deze auto geldt. Eerst wil de wegenwacht niet komen omdat hij niet gereden heeft. Zo blijkt dus dat we al die tijd allemaal dachten dat het goed geregeld was en nu blijkt dat het alleen werkt als de eigenaar zelf rijd dat wil zeggen voor de tweede en opvolgende auto’s. De hoofd auto is wel voor ieder bestuurder verzekerd. Don ploft zo wat en ze draaien bij. Toch komt hij de 60 kilometer van huis rijden om ons op te halen want MUK gaat op een trailer naar huis.  We moeten minstens een uur of twee wachten. Dan komt er een takelwagen. De man vind wel dat het Fordje wat ie op moet halen aan de kleine kant is, maar zet hem toch achterop de aanhanger. Don vraagt nog even voor de zekerheid of hij hem wel naar Noosa brengt. Wel nee zegt de man ik breng  hem zoals afgesproken hier naar het depo. Don krijgt twijfels over de juiste afspraak en belt de verzekering op. Op dat moment komt er nog een takelwagen aan rijden. Wat blijkt? Op het zelfde adres staat achter huis nog iets grotere Ford met pech en daar kwam de eerste wagen voor. Dus MUK er weer af die op de andere gezet en op naar Noosa met zijn allen. De volgende dag haalt Joop met Don de onderdelen op een sloop en dan is het voor een luttel bedrag weer gefikst. Het is een dure auto geworden voor ons allemaal met de pech die er mee was en is. We hebben een paar heerlijke semi rustige dagen in Noosa. Gaan nog een dagje naar Gympie en wandelen wat in de omgeving. Joop gaat nog met Don voor de 4 wheel club een parcours uitzetten  in een park en komt vol verhalen thuis. Ze zijn over overgroeide paden gereden en tegen hoge gladde hellingen op.  Kortom 4 wheel drive lol. Dan vertrekken we om het gebied tussen Noosa en Brisbane te bekijken. Daarna zullen we ons dan bij de 4 wheel drive club aansluiten, waar Don en Agnes een weekend mee hebben ergens op een camping in dat gebied.

Vanaf 25-3-2012

We gaan eerst naar een campingplek aan een stuwmeer, maar het kan ons beide niet bekoren en we rijden verder. Uiteindelijk komen we op een kampeerterrein midden in een plaatsje en dat heeft ook wel wat. De dag daarop slingeren we wat door de omgeving. Kopen bij een ouder stel een zak macedamia noten in de schil. We hebben ze thuis uitgedeeld en nu nog aan boord , want die schil is keihard en alleen in de bankschroef open te krijgen. Het ziet er wel mooi uit, zo’n ronde houtige kogel.

We beklimmen een van de glasshouse moutains die hier uit het landschap oprijzen. De naam is ze gegeven door een Engels ontdekkingsreiziger met heimwee. Tenminste dat laatste denk ik, want je hebt nog meer fantasie nodig dan ik heb om er glasshouses in te zien. Het zijn wonderlijk gevormde bulten in het landschap.  Dan vinden we na wat ge zoek een camping aan een riviertje. Vreemd genoeg staat er bij de ingang dat het full is en dat terwijl het barst van de lege plekken. We gaan er staan en na veel telefonisch gehaffel hebben we via de creditcard betaald. Iets te gehoorzaam mischien??

We organiseren een vuurtje en dat mag ook wel want het barst hier helaas van de muggen. Later op de avond wordt  onze rust verstoord door een groep jonge mensen die er van overtuigd lijken te zijn dat zij alleen hier staan. Dan via een omweg door een national park naar de plek waar we met Don en Agnes hebben afgesproken. Tijdens een rust pauze met picknick banken en tafels stop er een ouder stel. Ze hebben allebei een rollator en dat is een heel gehobbel over het oneffen grasveld. Als ik ze een kopje thee aan bied hoeft dat niet. Ze hadden pas wat gedronken kwamen alleen maar even hier om de plek waar ze elkaar x jaar geleden hadden ontmoet nogmaals te bezoeken.  Romantiek.  We komen ongeveer  gelijktijdig met Don en Agnes aan. Ze worden hartelijk begroet door de andere clubleden en  we zoeken een plek om onze tenten uit te klappen. Don is weer helmaal gelukkig met eten uit de campoven en wij met het fikkie al staat de wind de verkeerde kant op. De  volgende dag is er een auto tocht door het gebied waar wij gisteren al doorheen gereden zijn. Het heeft wel wat om met 10 auto’s over bospaadjes te rijden en om te zien hoe de communicatie verloopt. We moeten stoppen omdat er een boom over het pad ligt. Don kan met zijn kettingzaag de bink uithangen en na wat gesjor kunnen we weer verder. Doe middag is er een soort speurtocht over de camping met opdrachten. Joop en Agnes gaan samen en Don en ik. Met zijn vieren mag niet te veel kennis ook al zijn de opdrachten in het engels en lokaal. Het is een heel gedoe en niet helemaal my cup of tea, maar de anderen hebben dikke pret en dat vergoed veel.

Dan rijden we via verschillende wegen terug naar Noosaa. Hier repareren we de dekhoes van de rooftoptent en samen met Agnes beplak ik een grote spiegel met een schelpenrand. Het is een huwelijkscadeau voor een nicht van de schoondochter. Er gaan bergen schelpen op. Agnes is een verwoed verzamelaarster en zo komt ze met ere van haar collectie af. Het is voor mij vreemd om de mooiste schelpen, die je in Nederland voor veel geld kan kopen als het al mag, vol in de lijm te zetten en op te plakken. Het is wel een leuk klusje. En dan knappen we MUK op voor de verkoop. Ongelooflijk hoe dat hier gaat. Van binnen en buiten wordt er schoongemaakt ,geschilderd, gepoetst en bespoten met allerhande spul. Ook de motor. Hij ziet er bijna uit als nieuw. Hier in Nederland zou je er achterdochtig van worden. Daar is het normaal. Bij de autohandel staan ook alle auto’s met de motorkap open.

Nog wat laatste boodschappen en tripjes en dan is het tijd om te vertrekken. We hebben hier een interessante en boeiende tijd gehad. Dankzij onze 4xdrive en Don en Agnes zijn we op veel mooie plaatsen geweest waar je als toerist niet vaak komt. Helaas hebben we de laatste 2 weken wel veel regen. Het regent ook weer pijpestelen als ze ons naar het vliegveld brengen. Zo op vrijdagmiddag rond het spitsuur is het op de snelweg naar Brisbane behoorlijk druk. Gelukkig komen we veilig op het vliegveld aan en zij daarna weer veilig thuis. We vliegen via Taiwan, waar we deze keer een dag hotel hebben. Het is een luxe om lekker op een kamer met goede douche wat rond te hangen en te slapen. Wanneer we hier weerverder vliegen naar Bangkok stellen we ons in op de tijd van aankomst in Nederland. Onze ervaring is dat je zo de minste last hebt van een jetlag. Het wordt al met al wel een lange reis. Na een vertraagde vlucht worden we afgehaald door Marleen. Ik vind leuk om afgehaald te worden. We rijden met haar naar Amersfoort lunchen er samen en dan gaan we door naar mijn zus in Groningen. Na een bezoekje aan mijn moeder de volgende dag gaan we door naar Terschelling. Gauw kijken hoe het met Zeezot is.

Ondanks  de vorst, de stormen en doorgeschavielde lijnen ligt ze er koninklijk bij en mogen we weer op ons oude plekje liggen.

Nu is het inmiddels eind juli. Na Oerol zijn we op de werf geweest om het onderwaterschip pokvrij en antifauling vol te maken en hebben we met de kleinkinderen en met Joop’s oudste met man door Nederland gevaren. Tussen de bedrijven door heeft Joop ook nog in de punt  het plafond geïsoleerd en vervangen, het roer uit elkaar gehaald en beter in elkaar gezet en de nieuwe kuiptafel geïnstalleerd. Vanmiddag, 26 juli, gaan we droogvallen met de kleinkinderen en een vriendje en een nachtje voor anker. Grote wensen van kleinzoon Daan. Wij wachten op goede wind en de halfwinder en vertrekken dan dit weekend richting Denemarken. Het verslag hiervan leest u onder Zomer 2012

 

Voor de foto’s zie: http://picasaweb.google.com/syzeezot

Powered by WordPress